zondag 3 september 2017

Colin Thubron: Achter de muur

Colin Thubron: Achter de muur: Een reis door China (Groot Britannië, 1987): 414 blz: Vertaald door P.H. Ottenhof en Tinke Davids (1989): Uitgeverij de Arbeiderspers: Oorspronkelijk uitgever William Heinemann Ltd.

Colin Thubron had het plan opgevat om vrijwel lukraak meer dan vijftienduizend kilometer kriskras door het klassieke China (niet naar Tibet, niet naar Mantsjoerije) te reizen, om de aan Birma grenzende stamgebieden langs de Mekong te bezoeken, om naar de oostelijke Himalaya te trekken en de Chinese Muur tot aan het eind ervan, ver in het noordwesten, te volgen.

Hij was ten tijde van de reis 46 jaar oud en had gedurende een jaar enkele uren per dag lessen gevolgd in het spreken van het Mandarijn Chinees. Door dat laatste onderscheidt dit boek zich van andere boeken die ik over China gelezen heb, Thubron kon met de mensen praten in hun eigen taal en wist ze heel wat wetenswaardigs ontlokken.

De bevolking van China is in hoge mate gelijkvormig en de mensen hebben heel wat te lijden gehad van het communisme onder Mao Zedong. Na de dood van Mao richtte het land zich onder Deng Xiaoping op economische hervormingen waardoor de Chinezen veel rijker werden, een ontwikkeling die zich in de 30 jaar na het schrijven van dit boek in versterkte mate heeft doorgezet.

Het boek is onderhoudend, prettig vertaald en geeft een genuanceerd beeld van dit grote en mysterieuze land.
Een aantal citaten:

- Het afgelopen jaar had ik dagelijks verscheidene uren besteed aan het leren spreken (niet schrijven) van Mandarijns. Toch kon ik thans het dialect om mij heen op straat dikwijls niet verstaan. In Rusland word je, zodra je door de grimmige buitenkant heen bent gebroken, in een menselijke maalstroom opgenomen, maar ik had het gevoel dat zo'n wereld in China niet bestond. De mensen hier waren ontoegankelijker, geremder, door en door gedisciplineerd, doordrongen van een ouderwetse politesse die te diep van binnen zat om zo maar te kunnen worden doorgeprikt.

- Terwijl westerse gymnastiek zwaar en inspannend is, lijkt taijiquan meer op een vertraagde filmopname van een vergeten vechtsport. De bedoeling is niet af te slanken of de spieren te ontwikkelen, maar het lichaam soepeler en beheerster te maken. De nationale geest lijkt zich erin te concentreren op de komende dag, alsof de mensen in training zijn voor een subtiel, passief verzet.

- Een Chinees gezegde uit keizerlijke tijden: "Wanneer een man een ambtenaar wordt, gaan zelfs zijn hond en zijn kippen naar de hemel."

- Toen ik bij de deur afscheid van hem nam, zei hij: "U wilt ons land leren kennen, merk ik wel. U dient echter wel te beseffen dat iemand alleen maar iets zal zeggen als hij alleen is."

- Ook heden ten dage nog wordt het land door de Jangtsekiang subtiel maar beslist in tweeën gedeeld. Hij geeft de eeuwenoude scheidslijn aan tussen het soldateske, bureaucratische noorden en het vriendelijke ondernemingsgezinde zuiden. Naarmate je zuidelijker komt worden de mensen kleiner en onbetrouwbaarder (zeggen de noorderlingen) en het afgebeten Mandarijns van Beijing maakt plaats voor een oorstrelend gekir. Het droge stof van de vlakten met hun tarwe en gierst verdwijnt onder de moessons van natte rijstvelden en theeplantages. De berg noedels wordt een dieet van rijst en de lage huisjes en symmetrische straten van het noorden worden steil kronkelende labyrinten van witgekalkte baksteen.

- De Chinese preoccupatie met voedsel is even hartstochtelijk als die van de Russen met drank. Het is de nationale panacee en obsessie - een zorg die veel verder gaat dan bij andere door hongersnoden geteisterde naties. Het dringt tot in de politieke metaforen door, de eenheid  van bevolking is ervan afgeleid (kou, "monden") tot aan de "hongerige monden" in de hel toe - en de meest gebruikelijke begroeting is niet "Hoe maak je het?" maar "Heb je gegeten?"

- Indien een man een week gelukkig wilde zijn, luidde een gezegde, kon hij een vrouw nemen; indien hij een maand gelukkig wilde zijn, moest hij een varken slachten; maar indien hij voor altijd het geluk wilde ervaren, diende hij een tuin aan te leggen.

- In het lawaaierige, proletarische Wild-restaurant vroeg ik de serveerster of er iets was dat mijn maag zou kunnen verdragen. Onbarmhartig somde ze echter op: Gestoomde Kat, Gestoofd Guinees Biggetje (in zijn geheel) met Garnalenpuree, Pikant Hondevlees met Pepers en Sjalotjes in Sojasaus, Dikke Soep met Stukjes Kat, Gebakken Pikante Salamanders ("Dat is een soort vis," zei ze) met Olijfpitten, Gestoofde Python met Paddestoelen...  Als ik de Gestoomde Bergschildpad wilde hebben, zei ze, zou ik een uurtje moeten wachten. En Berepoten waren er tot haar spijt vandaag niet.

- Etiketteren: de traditionele noodzaak. De dingen dienen behoorlijk benoemd te worden, heeft Confucius gezegd, "opdat de menselijke geest niet door misverstanden wordt gehinderd".

- Het typische confucianistische ideaal was natuurlijk niet de waarheid te zoeken, maar het gedrag te vormen.

- In China zeggen we: "Woede en verdriet maken de dichter."

- Zijn Mandarijns was doorspekt met Engels slang, voor het merendeel opgepikt uit films. Mijn eigen Chinees klonk aarzelend en puriteins. Dus converseerden we in een melange van vulgariteit en vormelijkheid.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten