woensdag 26 augustus 2015

Casanova 3: de school van het leven 3

De school van het leven: blz 58-79

In weerwil van de goede leerschool die ik nog voor mijn puberteit heb doorlopen, ben ik tot op zestigjarige leeftijd altijd het slachtoffer van vrouwelijke list geweest. Als ik twaalf jaar geleden geen hulp van mijn beschermengel had gekregen, zou ik in Venetië nog met een dwaas jong meisje zijn getrouwd op wie ik verliefd was geworden. Nu geloof ik dat ik niet meer vatbaar ben voor dergelijke dwaasheden, maar dat betreur ik, helaas!

Het was zondag, Bettina had een goede middagmaaltijd tot zich genomen, en was de hele dag waanzinnig geweest. Omstreeks middernacht kwam haar vader thuis, Tasso zingend, en zo dronken dat hij nauwelijks kon staan. Hij ging naar het bed van zijn dochter, omhelsde haar liefdevol en zij tegen haar dat zij niet gek was. Zij antwoordde hem dat hij niet dronken was.

Ik kon noch geloven in Candiani's zelfbeheersing, noch in het geduld van Bettina, noch in een zeven uren durend gesprek over een enkel onderwerp. Desondanks deed het mij enigszins genoegen de valse munt die zij mij had gegeven voor goed geld aan te nemen.

Retorica maakt alleen van de geheimen van de natuur gebruik op de manier van schilders die haar willen nabootsen. Het mooiste wat zij maken is altijd onecht.

Op de dertiende dag, toen zij geen koorts meer had, begon zij onrustig te worden door ondraaglijke jeuk. Geen remedie had haar beter kunnen kalmeren dan de volgende geladen woorden die ik voortdurend tegen haar zei: "Bettina, onthoud dat je beter wordt, maar als je je durft te krabben word je zo lelijk dat niemand meer van je zal houden." Ik daag alle artsen ter wereld uit een krachtiger afweer middel dan deze waarschuwing te vinden tegen de zucht tot krabben bij een meisje dat weet dat zij mooi is geweest, en gevaar loopt lelijk te worden door haar eigen schuld als zij zich krabt.

Zij heeft mij daarna zonder kuren liefgehad en ik heb haar liefgehad zonder een bloem te plukken, die het lot, geholpen door het voorooordeel, had voorbestemd voor het huwelijk.

Mijn eigen voorkeur ging uit naar medicijnen studeren opdat ik het beroep van arts kon uitoefenen- ik voelde mij daar heel sterk toe aangetrokken. Men luisterde echter niet naar mij. Men wilde dat ik mij toelegde op de studie van de rechten, waarvan ik een onoverwinnelijke afkeer had. Als men er goed over had nagedacht, zou men mij mijn zin hebben gegeven door mij arts te laten worden, een beroep waarin zwendelarij nog meer oplevert dan in de advocatuur. Maar ik heb nog het een nog het ander gedaan en dit kon niet anders. Het is mogelijk dat ik om die reden nooit van de diensten van advocaten gebruik heb willen maken als ik mijn recht bij justitie wilde laten gelden, en evenmin artsen heb willen roepen als ik ziek was. Er zijn meer families geruïneerd dan bevoordeeld door advocaten, en de mensen die overlijden door toedoen van artsen zijn talrijker dan zij die genezen. Hieruit volgt dat de wereld veel gelukkiger zou zijn zonder deze twee mensentypes.

Wat betreft de professionele vrouwen van lichte zeden: ik kwam niet in hun strikken terecht, omdat ik er geen zag die zo mooi was als Bettina.

Het speet mij dat ik haar had gespaard. Het was een vooroordeel dat ik toen had, maar waarvan ik mij spoedig zou ontdoen.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen