donderdag 27 augustus 2015

Casanova 4: De school van het leven 4

De school van het leven: blz 80-115

De eerste keer dat de pastoor mij de eer deed mij aan Zijne Excellentie voor te stellen, heb ik met alle respect zijn redenering bestreden, waar niemand iets tegenin wist te brengen. Ik zei hem dat hij aan zijn tafel alleen mensen moest uitnodigen die van nature tweemaal zoveel aten als anderen. "Maar hoe die te vinden?" "Dat is iets wat tact vereist. Uwe Excellentie moet tafelgenoten keuren. Degenen die blijken te zijn zoals u hen wenst, dient u te behouden zonder de reden te zeggen, want geen welopgevoed mens ter wereld zou willen dat men zegt dat hij alleen de eer heeft met Uwe Excellentie te eten omdat hij twee keer zoveel eet als iemand anders." Zijne Excellentie begreep volledig de bedoeling van mijn woorden en zei tegen de pastoor mij de volgende dag mee te nemen voor de middagmaaltijd. Toen hij merkte dat ik datgene wat ik overtuigend had onderwezen, nog overtuigender in praktijk bracht, liet hij mij dagelijks zijn tafel delen.

Zijne Excellentie noemde mij een aantal regels waaraan ik mij moest houden, naar hij uitlegde, als ik zijn ontvangsten zou bezoeken, omdat de andere genodigden zich zouden verbazen over het feit dat een vijftienjarige jongen werd toegelaten. Hij gebood mij alleen te spreken als mij persoonlijk iets werd gevraagd en vooral nooit mijn mening over een onderwerp te geven, want als vijftienjarige had ik nog niet het recht een mening te hebben.

Ik heb mevrouw Manzoni leren kennen. Zij leerde mij veel en gaf mij heel wijze adviezen. Als ik deze had opgevolgd, zou mijn leven niet stormachtig zijn verlopen, en dientengevolge zou ik het nu ook niet het beschrijven waard hebben gevonden.

Toen hij mij verzekerde dat het hem ernst was, had hij maar een minuut nodig om mij te overreden en mij ervan te overtuigen dat ik in de wieg was gelegd om de beroemdste prediker van de eeuw te worden, zodra ik wat dikker zou zijn. Ik twijfelde niet aan mijn stem of voordracht, en wat het maken van een preek betrof, voelde ik mij al snel capabel genoeg een meesterwerk voort te brengen.

Ik ging naar de pastoor om hem de preek voor te lezen. Terwijl ik op zijn komst wachtte, werd ik verliefd op zijn nicht Angela, die op een borduurraam zat te handwerken. Deze verliefdheid werd mij noodlottig; zij had twee andere liefdes tot gevolg, die op hun beurt weer een aantal andere tot gevolg hadden, wat er ten slotte toe leidde dat ik afstand deed van een carrière als geestelijke.

In de vier of vijf keer dat ik mijn opwachting bij haar maakte, kon ik haar goed genoeg gadeslaan om op de bijeenkomsten bij mijnheer Malipiero te zeggen dat zij alleen aantrekkelijk kon zijn voor oververzadigde liefhebbers, want zij bezat noch eenvoudige natuurlijke schoonheid, noch een spitse geest, noch een bepaald talent, noch goede manieren.

Angela's gebrek aan lichamelijke toeschietelijkheid ergerde mij en mijn liefde was al een kwelling voor mij geworden. Door mijn temperament had ik heel erg behoefte aan een meisje, zoals Bettina, dat ervan hield het liefdesvuur te koelen zonder het te doven. Maar ik verloor mijn voorkeur voor deze oppervlakkige bevrediging snel. Omdat ik zelf in zekere zin nog maagd was, had ik het grootst mogelijke ontzag voor de maagdelijkheid van een meisje. Ik wilde ook niets weten van getrouwde vrouwen, dwaas die ik was.

Lucia ging weg om haar werk te doen. Haar ouders spraken vol lof over haar; zij was hun enig kind, de troost van hun ouderdom en al hun liefde ging naar haar uit. Lucia was gehoorzaam, gelovig, gezond als een vis, maar had alleen één gebrek. "Wat dan?" "Zij is te jong." "Een sympathiek gebrek."

Ik vond dat ik een ellendeling was als ik het vertrouwen beschaamde dat zij in mij stelden. Ik besloot daarom tot onthouding. Omdat ik er zeker van was dat ik deze overwinning op mijzelf zou behalen, durfde ik tegen mijn begeerte te vechten en het besluit te nemen mij alleen tevreden te stellen met haar aanwezigheid. Ik kende de grondwaarheid nog niet dat zolang de strijd duurt, de overwinning onzeker is.

Ik weet niet of ik ooit een volmaakt fatsoenlijk man ben geweest, maar ik weet wel dat de levensopvattingen die ik er in mijn vroege jeugd op na hield veel kieser waren dan die waaraan het leven mij op den duur heeft gewend. Een onoirbare levenswijze laat weinig over van de opvattingen die men vooroordelen noemt.

Wie echt van iemand houdt, is altijd bang dat het voorwerp van zijn liefde zal denken dat hij overdrijft; en door de vrees te veel te zeggen, zegt hij te weinig.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen