Het vierde deel van de memoires van Paustovskij beslaat het jaar 1922 waarin Kostik in Odessa verblijft, een havenstad aan de Zwarte Zee. Hij krijgt een baantje bij een krant: "De Morjak". Op het einde van dit deel verlaat Kostik Odessa met de boot en komt in een helse storm terecht. Het meest interessante stuk in dit deel vind ik hoofdstuk 16 waarin hij collega-schrijver Isaak Babel ontmoet die hem vertelt hoe hij te werk gaat bij het schrijven van zijn verhalen.Opnieuw een prachtig deel.
Lees ook de besprekingen van Arjen en Barbara.
Een aantal mooie citaten:
- De verzetsstrijders verborgen zich in de steengroeven en in de stad zelf. Ondanks de arrestaties en executies opereerden zij met zoveel lef vlak onder de neus van de Fransen en de troepen van Denikin dat ze er zelfs in slaagden een districtsconferentie van de bolsjewieken te houden, regelmatig de verzetskrant De Communist uit te geven, een heleboel proclamaties te verspreiden, de stakende drukkers, trammensen en telegrafisten te steunen, een trein met militair materiaal van de geallieerden op te blazen en uiteindelijk een revolutionair oorlogscomité op te richten, dat meteen na de bezetting van Odessa door sowjettroepen de voorlopige macht in handen nam.
- Het werd al lente. Hier aan deze steppenkust was haar komst veel ontroerender dan in een streek met een rijke begroeiing. Misschien omdat je hier iedere bloem die onder de roestige rails van een verwaarloosde tramlijn vandaan groeide, iedere vlinder die sidderend in de zachte zeebries haar vleugels zat te drogen, zo duidelijk zag.
- De tijd heeft de scherpe kantjes van vroegere zorgen en noden reeds lang afgeslepen. Het geheugen keert er slechts met tegenzin naar terug. Het geeft de voorkeur aan de gelukkige herinneringen van het verleden, met zijn schaarse vrolijke momenten, die in de loop van de jaren hun volle omvang en betekenis hebben gekregen.
- Ergens op de binnenplaats schitterde een stijfbevroren meldestengel, ziltig van de vrieskou, plotseling op de een of andere manier in een warm licht en uit deze schittering sprak reeds de nadering van de stralende lente.
- Het was voor de eerste keer dat ik een joodse begrafenis bijwoonde. Vooral de krampachtige spoed viel mij ervan op. Er kwam een lijkwagen voorrijden met een rouwpaard bespannen, een stoffige knol. De koetsier, een praatzieke man met een grijze baard kwam de kamer binnen, tikte met de steel van zijn zweep tegen de deksel van de kist en zei: "Vooruit, de jonkies hier aanpakken! Met z'n allen, hup twee, drie! En voorzichtig in de bochten. Ze moeten de vent die deze trap gemaakt heeft in die kist spijkeren in plaats van dat meisje en hem zo naar de andere wereld helpen! Dat is toch geen trap meer! God beware me, dat ding is ervoor gemaakt om je nek op te breken!"
- Dan verscheen er een bericht in de dagbladen van Sint Petersburg dat Vasilij Aleksandrovitsj Reginin, redacteur van de Blauwe Revue, op die en die dag van de maand tijdens het dressuurnummer van Circus Cineselli in zijn dooie eentje, ongewapend en zonder dompteur de tijgerkooi in zou gaan, aan een tafeltje plaats zou nemen waarop de koffie al klaar stond en op z'n gemak een kopje koffie zou drinken met een lekker taartje erbij, waarna hij de kooi weer ongedeerd zou verlaten.
Een bijzonder uitvoerige reportage van deze uitzonderlijke gebeurtenis zou samen met de persoonlijke indrukken van Reginin en een hele serie foto's in de Blauwe Revue gepubliceerd worden.
... Reginin stapte, overdreven gepoederd en met een chrysant in het knoopsgat van zijn rok, rustig de kooi in en ging koffie zitten drinken.
Door zoveel brutaliteit raakten de tijgers volledig van hun stuk. Zij zaten bij elkaar, keken Reginin angstig aan en gromden wat.
Iedereen hield zijn adem in. Bij de tralies stonden bleke stalknechts met de brandslangen klaar.
Reginin dronk zijn koffie op, liep zonder de tijgers zijn rug toe te keren achteruit naar de deur en stapte snel de kooi uit.
De tijgers, die ogenblikkelijk doorhadden dat de buit hen ontsnapt was, stormden met een ontzagwekkend gebrul zijn kant uit, vlogen tegen de spijlen op en begonnen er woedend aan te rukken en te scheuren.
- Ik was redactiesecretaris, met andere woorden, manusje van alles: zorgen voor de correcties en voor de taakverdeling tussen de reporters, zowel als voor de ontvangst van schrijvers en het beslechten van ruzietjes, die als donderslagen bij heldere hemel ontstonden tussen de jonge en oude reporters.
Bovendien zorgde ik bijna iedere dag samen met Izja Livsjits voor de opmaak van de editie van de volgende dag.
Volgens Babel:
- "De helderheid en de kracht van de taal," zei hij altijd "komen niet tot uiting in een zin waaraan niets meer kan worden toegevoegd maar waaruit niets kan wegvallen."
- De krab was verdwenen maar op een golf kwam een afgebroken bremtak aanspoelen. Ik stak mijn hand in het water om de tak te pakken en was verbaasd - mijn hand stak onder water maar ik voelde merkbaar de warmte van de zon ofschoon mijn hand wel een paar centimeter onder het oppervlak was.
Ik kan moeilijk het verbazingwekkende gevoel weergeven van zonnewarmte getemperd door zeewater, van de streling van zonnestralen op mijn vingers waar het groenige meegevende water tussendoor vlood.
Het was in ieder geval een gevoel dat iets heel gelukzaligs had. Méér kon er niet zijn. De wereld om me heen kon me nauwelijks iets mooiers geven dan deze lichte vriendschappelijke handdruk.
- Archeologie is de wetenschap van de oudheid. Sinds mijn kinderjaren is de oudheid voor mij synoniem met op de wind golvend gras, met oude ontvolkte streken in een verzengende hitte waar met die wind nog een heel klein beetje koelte wordt aangevoerd van de nabije zee, met een oude gebarsten tegel door de magere grijze vingers van een Iraanse pottenbakker vervaardigd, en met een zwarte aardewerk pijp, in de vorm van de boeg van een Egeisch schip, ergens bij de zoutmeren van Perekop door een Zaporoger verloren. De roestige, ijzerige, barse kleur van oude streken heeft mij altijd aangetrokken.
Over Odessa:
- 's Morgens hing er een geur van verwelkende violieren in de nog in schaduw verzonken straten. Maar toch waren ze nergens te bespeuren, niet in de plantsoenen en ook niet in de voortuintjes. Blijkbaar was het geen geur van violieren maar gewoon van morgenschaduwen, of van pas besproeide straten, of misschien wel van het briesje dat vanuit open zee kwam aanzetten. Het woei uit de richting van de vuurtoren van Bolsjoi Fontan, glipte door de meloenenvelden in de steppe, zoog het zoetige aroma in zich op van het verwelkende bietenloof, drong daarna met moeite door het dichte struikgewas langs de Frantsoeskojeboulevard en zocht zijn weg langs de oevers, aan de buitenkant van de stad, waar op de daken van de vissershutten meloeneschillen lagen te drogen en tomaten lagen te rijpen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten