Konstantin Paustovskij: Onrustige jeugd: Prelude op de Russische revolutie (Rusland, ?): 293 blz: Vertaald door Wim Hartog (1976): Uitgeverij de Arbeiderspers, serie Privé-domein, nr 32
"Onrustige jeugd" is het tweede deel van de prachtige serie memoires van Konstantin Paustovskij, door zijn familie en vrienden Kostik genoemd. In het begin van dit deel zit Kostik op de universiteit, maar hij wilde het echte leven in, ook vanwege zijn alles overheersende ambitie om schrijver te worden. Hij krijgt een baantje op de tram, wordt ziekenoppasser , heeft een kortstondige liefde, helpt bij de verlossing van een jonge vrouw en maakt zo nog het een en ander mee. Dit alles is door Paustovskij op onnavolgbare wijze onder woorden gebracht en door zijn vaste vertaler Wim Hartog voortreffelijk vertaald. Citaten:
- Al sinds mijn gymnasiumtijd dacht ik er hardnekkig aan schrijver te worden. Alle veranderingen in mijn leven leken me daar de opleidingsschool toe te vormen. Ik moest het leven in, niets versmaden. Alleen zo kon ik levenswijsheid opdoen en de voorraadkamer opbouwen waaruit ik later met volle handen gedachten, onderwerpen, beelden en woorden zou putten.
- ..., waarop de oude vrouwtjes uit de zak van hun onderrok een zakdoek te voorschijn haalden, in de punten waarvan ze hun geld hadden geknoopt. In de ene punt zaten de stukken van één kopeke, in de andere die van twee, in weer een andere die van vijf. Dan duurde het nog een heel tijdje voor de pelgrimsvrouwtjes de stevige knopen met hun tanden los kregen, waarna ze met een zuinig gezicht hun geld uittelden. In hun haast vergisten ze zich nogal eens en knoopten de verkeerde punt los. Dan trokken ze die knoop met hun tanden weer aan en begonnen de volgende los te peuteren.
- " ... De schrijver zoekt niet, hij kiest niet, hij pakt meteen het juiste woord, net als de zetter blindelings de juiste lette uit de letterkast haalt. En als hij deze eenmaal op zijn plaats heeft gezet, dan moet je verdraaid knap zijn, wil je daar nog verandering in krijgen. Anders zou zijn hele heerlijke bouwsel ineenstorten."
- De eerste reis leerde me dat het ronddelen van het eten de zwaarste klus was. De keukenwagen was een eind bij me vandaan. Ik moest met twee emmers vol hete koolsoep of kokend water door achtenveertig deuren heen. Andere ziekenoppassers die niet zo ver van de keuken zaten, hoefden maar een tien tot vijftien deuren open en dicht te doen. Wij waren jaloers op deze geluksvogels en voelden een soort stiekeme voldoening vanwege het feit dat we zo vaak per dag met onze emmers voedsel door hun wagon moesten, waarbij er uiteraard onwillekeurig wel eens wat over de rand klotste. De "geluksvogel" moest dan met een dweil aan de gang om al vloekend en scheldend de boel achter ons op te ruimen.
- Ik dacht: wat heeft een mens toch weinig nodig om gelukkig te zijn als hij het niet is en wat heeft hij veel nodig zodra het geluk om de hoek komt kijken.
- In de ogen van de biddende vrouwen stond slechts één ding te lezen: het bezeten wachten op een wonder, een onmetelijke hoop dat misschien dit jochie of die bleke vrouw met de zware wimpers, de moeder van deze goddelijke zuigeling, alle oorlogen, afmattende arbeid en armoede uit de wereld zouden helpen en men eindelijk de rug boven de tobbe met vuil wasgoed zou kunnen strekken en het zonnetje dat zich in het zeepwater spiegelde, zou kunnen toelachen.
- Nooit heb ik Sokolovskij droevig gezien. Sindsdien is het voor mij vast komen te staan dat de ware mens droefenis moet kunnen gevoelen. Degene die deze eigenschap mist, is net zo zielig als iemand die geen vreugde kent of die alle gevoel voor humor is kwijtgeraakt. Het ontbreken van ook maar één van deze eigenschappen getuigt van een onherstelbare geestelijke beperktheid.
- Wij deden het vlees in de ketels. Op de brij vormde zich een vuilgrijze laag schuim. Dit werd er met grote schuimspanen afgeschept en op de grond gegooid. Magere honden likten, naar elkaar grommend, de vette grond af.
Halverwege de nacht was de soep gaar en wij begonnen met het uitdelen aan de vluchtelingen. Honderden trillende handen staken zich uit naar de ziekenoppassers met kroezen, oude borden, koppen en kommen. De vrouwen probeerden de handen van de ziekenoppassers te kussen als ze hun portie gekregen hadden.
Uit de menigte steeg een huilen op dat op lachen leek ... misschien was dit echt wel het lachen van uitgehongerde mensen die de geur van lekker warm rundvlees in hun neus kregen. Zij slobberden de soep ter plaatse op, hun mond brandend en steunend van genoegen.
Tien minuten later waren de ketels schoon leeg.
- De kat deed alsof hij mijn woorden niet hoorde. Zonder zich te haasten of ook maar één keer om te kijken, ging hij naar buiten. "Vuilak!" riep ik hem achterna. "Vieze vuile egoïst!"
Ik had graag gewild dat hij teruggekomen was. Ik had behoefte aan een levend wezen dat niet begreep wat oorlog was en vond dat de wereld nog net zo fijn was als een maand of een jaar geleden, dat de winterkoninkjes nog net zo in de tuin rondvlogen, dat het bleke plattelandszonnetje nog net zo rustig onderging, dat je nog even lekker als altijd kon zitten soezelen in de versleten fauteuil, je oren spitsend bij elk verdacht gekraak van de gortdroge boekbanden.
- Ik ging naar de wagen. Van opwinding was ik zeker doof geworden. Ik hoorde het schreeuwen van de vrouw niet meer en deed mijn best niet naar haar te kijken.
Ik zag iets rozigs, zieligs, strekte snel en behoedzaam mijn handen uit en trok het stevig naar me toe. Ik wist niet of het zo moest of niet. Ik deed alles als een slaapwandelaar. Ik weet nog altijd niet of het kindje meteen kwam. Ik herinner mij alleen dat ik twee kleine schoudertjes in mijn handen voelde. Dat moesten 't tenminste zijn. Ik drukte er met mijn vlakke hand tegen en trok ze weer behoedzaam en krachtig naar me toe.
"Meneer!" riep Vasil en pakte me vast. Ik stond te zwaaien op mijn benen. In mijn uitgestrekte armen hield ik iets warms en vochtigs. En opeens moest dit vreemde wezen niezen.
Al het werk dat nu nog restte deed ik uiterst kalm, alhoewel mijn hoofd begon te schokken. Samen met Vasil waste ik het kind, daarna wikkelden we het in een handdoek en wat lorren.
- Ik hield van die tochten omdat ik dan alleen kon zijn. Na wat ik in de herfst had meegemaakt, kon ik mij nog niet losmaken van het gevoel van vervreemding en van de behoefte te herinneren. Het leven van alledag maakte de herinnering aan Lolja stuk en minder zuiver. Ik begon haar stem al te vergeten - en dat maakte me bang.
Tijdens deze reizen stelde ik me zelf met onbegrijpelijke halsstarrigheid aan alle mogelijke ontberingen bloot: ik liet me doornat regenen, tot op mijn botten koud worden, ik sliep in een schuur in het stro of anders zo op de grond, ik at nauwelijks, in plaats daarvan rookte ik de ene vochtig geworden, zurig smakende sigaret na de andere.
- Ik kreeg heimwee naar Rusland. Het meest van al dacht ik aan de bossen van Brjansk, in mijn herinnering het gelukkigste en mooiste plekje ter wereld. Ik herinnerde mij de beboste ravijnen, de rivieren en de omgehakte stukken met jonge pijnbomen en berken, pioenrozen en wit bloeiend zilverblad.
- Voor mijn moeder bestond er alleen plicht. Plicht en anders niet. Vreugde putte ze slechts uit de vervulling van de plichten die zij zich zelf had opgelegd.
Vader daarentegen had, zoals moeder het noemde, het leven tot op de laatste druppel uitgepeurd, waartoe natuurlijk alleen een aartsegoïst in staat is.
- Voor een schrijver is het geheugen bijna alles. Het opgespaarde materiaal wordt er niet alleen maar opgeslagen. Het meest waardevolle wordt er als in een toverzeef achtergehouden. Stof en molm vallen erdoor en worden door de wind weggevoerd en slechts het goudzand blijft achter. En daarmee worden dan kunstwerken gemaakt.
- "Hebt u even gemazzeld!" zei de grijsharige havenopzichter met nijdig gefronste wenkbrauwen. "Waarom bent u de zee opgegaan terwijl de stormseinen vanmiddag om twee uur al gehesen waren?" "Ik ken de seinen niet," bekende ik. "Zo!" zei de opzichter en hield mij zijn zilveren sigarettenkoker voor, "onthoud dan goed dat ieder mens de stormseinen hoort te kennen. Net zo goed op zee als in zijn eigen leven. Om onherstelbare ongelukken te voorkomen."
Zoals altijd smaakt het lezen van een boek van Paustovskij naar meer. Ik ga rustig verder met het derde deel van zijn memoires "Het begin van een onbekend tijdperk".
- " ... De schrijver zoekt niet, hij kiest niet, hij pakt meteen het juiste woord, net als de zetter blindelings de juiste lette uit de letterkast haalt. En als hij deze eenmaal op zijn plaats heeft gezet, dan moet je verdraaid knap zijn, wil je daar nog verandering in krijgen. Anders zou zijn hele heerlijke bouwsel ineenstorten."
- De eerste reis leerde me dat het ronddelen van het eten de zwaarste klus was. De keukenwagen was een eind bij me vandaan. Ik moest met twee emmers vol hete koolsoep of kokend water door achtenveertig deuren heen. Andere ziekenoppassers die niet zo ver van de keuken zaten, hoefden maar een tien tot vijftien deuren open en dicht te doen. Wij waren jaloers op deze geluksvogels en voelden een soort stiekeme voldoening vanwege het feit dat we zo vaak per dag met onze emmers voedsel door hun wagon moesten, waarbij er uiteraard onwillekeurig wel eens wat over de rand klotste. De "geluksvogel" moest dan met een dweil aan de gang om al vloekend en scheldend de boel achter ons op te ruimen.
- Ik dacht: wat heeft een mens toch weinig nodig om gelukkig te zijn als hij het niet is en wat heeft hij veel nodig zodra het geluk om de hoek komt kijken.
- In de ogen van de biddende vrouwen stond slechts één ding te lezen: het bezeten wachten op een wonder, een onmetelijke hoop dat misschien dit jochie of die bleke vrouw met de zware wimpers, de moeder van deze goddelijke zuigeling, alle oorlogen, afmattende arbeid en armoede uit de wereld zouden helpen en men eindelijk de rug boven de tobbe met vuil wasgoed zou kunnen strekken en het zonnetje dat zich in het zeepwater spiegelde, zou kunnen toelachen.
- Nooit heb ik Sokolovskij droevig gezien. Sindsdien is het voor mij vast komen te staan dat de ware mens droefenis moet kunnen gevoelen. Degene die deze eigenschap mist, is net zo zielig als iemand die geen vreugde kent of die alle gevoel voor humor is kwijtgeraakt. Het ontbreken van ook maar één van deze eigenschappen getuigt van een onherstelbare geestelijke beperktheid.
- Wij deden het vlees in de ketels. Op de brij vormde zich een vuilgrijze laag schuim. Dit werd er met grote schuimspanen afgeschept en op de grond gegooid. Magere honden likten, naar elkaar grommend, de vette grond af.
Halverwege de nacht was de soep gaar en wij begonnen met het uitdelen aan de vluchtelingen. Honderden trillende handen staken zich uit naar de ziekenoppassers met kroezen, oude borden, koppen en kommen. De vrouwen probeerden de handen van de ziekenoppassers te kussen als ze hun portie gekregen hadden.
Uit de menigte steeg een huilen op dat op lachen leek ... misschien was dit echt wel het lachen van uitgehongerde mensen die de geur van lekker warm rundvlees in hun neus kregen. Zij slobberden de soep ter plaatse op, hun mond brandend en steunend van genoegen.
Tien minuten later waren de ketels schoon leeg.
- De kat deed alsof hij mijn woorden niet hoorde. Zonder zich te haasten of ook maar één keer om te kijken, ging hij naar buiten. "Vuilak!" riep ik hem achterna. "Vieze vuile egoïst!"
Ik had graag gewild dat hij teruggekomen was. Ik had behoefte aan een levend wezen dat niet begreep wat oorlog was en vond dat de wereld nog net zo fijn was als een maand of een jaar geleden, dat de winterkoninkjes nog net zo in de tuin rondvlogen, dat het bleke plattelandszonnetje nog net zo rustig onderging, dat je nog even lekker als altijd kon zitten soezelen in de versleten fauteuil, je oren spitsend bij elk verdacht gekraak van de gortdroge boekbanden.
- Ik ging naar de wagen. Van opwinding was ik zeker doof geworden. Ik hoorde het schreeuwen van de vrouw niet meer en deed mijn best niet naar haar te kijken.
Ik zag iets rozigs, zieligs, strekte snel en behoedzaam mijn handen uit en trok het stevig naar me toe. Ik wist niet of het zo moest of niet. Ik deed alles als een slaapwandelaar. Ik weet nog altijd niet of het kindje meteen kwam. Ik herinner mij alleen dat ik twee kleine schoudertjes in mijn handen voelde. Dat moesten 't tenminste zijn. Ik drukte er met mijn vlakke hand tegen en trok ze weer behoedzaam en krachtig naar me toe.
"Meneer!" riep Vasil en pakte me vast. Ik stond te zwaaien op mijn benen. In mijn uitgestrekte armen hield ik iets warms en vochtigs. En opeens moest dit vreemde wezen niezen.
Al het werk dat nu nog restte deed ik uiterst kalm, alhoewel mijn hoofd begon te schokken. Samen met Vasil waste ik het kind, daarna wikkelden we het in een handdoek en wat lorren.
- Ik hield van die tochten omdat ik dan alleen kon zijn. Na wat ik in de herfst had meegemaakt, kon ik mij nog niet losmaken van het gevoel van vervreemding en van de behoefte te herinneren. Het leven van alledag maakte de herinnering aan Lolja stuk en minder zuiver. Ik begon haar stem al te vergeten - en dat maakte me bang.
Tijdens deze reizen stelde ik me zelf met onbegrijpelijke halsstarrigheid aan alle mogelijke ontberingen bloot: ik liet me doornat regenen, tot op mijn botten koud worden, ik sliep in een schuur in het stro of anders zo op de grond, ik at nauwelijks, in plaats daarvan rookte ik de ene vochtig geworden, zurig smakende sigaret na de andere.
- Ik kreeg heimwee naar Rusland. Het meest van al dacht ik aan de bossen van Brjansk, in mijn herinnering het gelukkigste en mooiste plekje ter wereld. Ik herinnerde mij de beboste ravijnen, de rivieren en de omgehakte stukken met jonge pijnbomen en berken, pioenrozen en wit bloeiend zilverblad.
- Voor mijn moeder bestond er alleen plicht. Plicht en anders niet. Vreugde putte ze slechts uit de vervulling van de plichten die zij zich zelf had opgelegd.
Vader daarentegen had, zoals moeder het noemde, het leven tot op de laatste druppel uitgepeurd, waartoe natuurlijk alleen een aartsegoïst in staat is.
- Voor een schrijver is het geheugen bijna alles. Het opgespaarde materiaal wordt er niet alleen maar opgeslagen. Het meest waardevolle wordt er als in een toverzeef achtergehouden. Stof en molm vallen erdoor en worden door de wind weggevoerd en slechts het goudzand blijft achter. En daarmee worden dan kunstwerken gemaakt.
- "Hebt u even gemazzeld!" zei de grijsharige havenopzichter met nijdig gefronste wenkbrauwen. "Waarom bent u de zee opgegaan terwijl de stormseinen vanmiddag om twee uur al gehesen waren?" "Ik ken de seinen niet," bekende ik. "Zo!" zei de opzichter en hield mij zijn zilveren sigarettenkoker voor, "onthoud dan goed dat ieder mens de stormseinen hoort te kennen. Net zo goed op zee als in zijn eigen leven. Om onherstelbare ongelukken te voorkomen."
Zoals altijd smaakt het lezen van een boek van Paustovskij naar meer. Ik ga rustig verder met het derde deel van zijn memoires "Het begin van een onbekend tijdperk".
Je weet het waarschijnlijk wel: ik lees alleen oorspronkelijk Nederlands, maar je maakt me wel erg nieuwsgierig met deze blogpost! Groetjes, Jannie.
BeantwoordenVerwijderenHoi Jannie, je hebt al wel begrepen dat ik een groot fan ben van deze schrijver en zijn vertaler. Er zijn weinig schrijvers waarvan ik vind dat je als boekenliefhebber ooit iets gelezen zou moeten hebben, maar Paustovskij hoort daar absoluut bij. Als je hem dan niet gaat lezen dan hoop ik dat je in ieder geval blij wordt van de citaten, ik heb ze zorgvuldig uitgezocht. Groetjes, Erik
BeantwoordenVerwijderen