maandag 9 januari 2023

Giacomo Casanova: Memoires: Deel 6: Een man van aanzien

Giacomo Casanova: Een man van aanzien (Italië, 1790-1798): 334 blz: Vertaald door Theo Kars (1994): Uitgeverij Athenaeum-Polak & van Gennep
 

 
In "Een man van aanzien" verblijft Casanova in Nederland, Duitsland en Zwitserland. Hij wordt in Duitsland door 3 officieren meegelokt naar een speelhol waar hij gedrogeerd wordt en hij veel geld verliest. Hij weet gelukkig te ontsnappen met het grootste deel van zijn bezittingen intact.
 
In Zwitserland krijgt hij het idee om monnik te worden in een klooster. Na 2 weken verdwijnt dit idee net zo snel als het bij hem is opgekomen als hij een knappe vrouw ziet. Hij wil deze vrouw natuurlijk veroveren, huurt een landhuis met een huishoudster, mevrouw Dubois geheten. Zoals wel vaker bij Casanova laat hij de vrouw op wie hij het eerst zijn zinnen had gezet, schieten, om het met een ander te proberen. Na zijn affaire met mevrouw Dubois weet hij haar goed uit te huwelijken.
 
De beroemdste passage uit "Een man van aanzien" is die waarin hij zijn ontmoeting en gesprekken met Voltaire beschrijft.
 
Citaten:
- Ik bracht met haar een van die dagen door die men gelukkig kan noemen, als wij geluk definiëren als wederkerige, kalme voldoening zonder een zweem van de heftigheid waarmee een onstuimige hartstocht gepaard gaat.
 
- "Wat u wilt, is heel makkelijk uitvoerbaar," zei hij. "De enige moeite die ik daarvoor hoef te doen is een briefje te schrijven aan de hofmeester die daar de leiding heeft, en het hem direct toe te sturen. Zegt u mij alleen hoeveel u wilt uitgeven."
 "Zoveel mogelijk," zei ik.
 "U bedoelt zo min mogelijk."
 "Nee, zoveel mogelijk, want ik wil het gezelschap groots onthalen."
 
- Een kwartier later ging ik naar de deur en duwde ertegen, waarop die openging. Ik sloot de deur, en ging op de tast op de onderste trede zitten. Ik bracht daar vijf uur door, die mij door het besef dat mijn geluk op handen was licht zouden zijn gevallen, als de ratten die steeds heen en weer liepen niet voortdurend mijn zenuwen zouden hebben gekweld. Ik heb het nooit kunnen opbrengen geen acht te slaan op deze ellendige dieren, en evenmin de afkeer kunnen overwinnen die zij mij inboezemen. Toch kan men alleen op ze tegen hebben dat ze stinken en lelijk zijn.
 
- Een vredig gemoed is het grootste goed dat er bestaat.
 
Casanova heeft het besluit genomen om monnik te worden, maar hij bedenkt zich nadat hij uit een raam een prachtige vrouw heeft gezien:
- Is er een man op aarde die de kracht bezit een dergelijke ontmoeting te weerstaan? Zouden er fanatici bestaan die in het dwaze voornemen zouden kunnen volharden zich in een klooster te begraven, nadat zij hadden gezien wat ik toen op de drieëntwintigste april in Zürich had gezien?
 
- Hij [de abt van een klooster] verzekerde mij in vertrouwen dat het makkelijker was de hemel te verdienen door in de wereld te blijven dan door zich in een klooster terug te trekken. Deze uitspraak leek mij niet die van een hypocriet, maar van een fatsoenlijk en nuchter man.

Over mevrouw Dubois, die Casanova als huishoudster had aangenomen en op wie hij verliefd werd:
- "Ik stond van tafel op, ten zeerste verbaasd over deze jonge vrouw, die erin leek te slagen mij op mijn zwakke plek te raken. Zij kon een logisch betoog voeren, en had al in dit eerste tweegesprek mijn reserves uitgeput. Jong, mooi, elegant gekleed, en intelligent - ik had geen idee waartoe zij mij nog zou brengen."

- "Ik denk," zei ik tegen haar, "dat u juist redeneert als u zich laat overreden met mij naar bed te gaan, terwijl u denkt dat u zeer juist redeneert door daar niet mee in te stemmen."

- Ik vergat dat het niet mogelijk is alleen eenvoudige vriendschap te voelen voor een vrouw die men aantrekkelijk vindt, met wie men dagelijks omgaat, en van wie men kan vermoeden dat zij verliefd is.

Casanova schrijft een paar regels verder hetzelfde in iets andere woorden:
- Een aanhanger van het platonisch denken die beweert dat het mogelijk is niet meer dan zuivere vriendschap te voelen voor een aantrekkelijke vrouw met wie men dagelijks omgaat, staat buiten de werkelijkheid. Mijn huishoudster was te aantrekkelijk en te intelligent. Het was onbestaanbaar dat ik niet verliefd op haar zou worden.

- Het is trouwens een onbetwistbaar feit dat ontrouw in de liefde alleen bestaat vanwege de verscheidenheid van gezichten. Als men deze niet zou zien, zou een man altijd de trouwe minnaar zijn van de eerste vrouw die hem had bekoord.

- Liefde is een speels kind, dat als voedsel vrolijkheid en vermaak verlangt. Met ander voedsel teert het weg.

Een beroemde passage uit dit 6e deel is die waarin Casanova zijn ontmoeting met Voltaire beschrijft:
- Op dat ogenblik wekte Voltaire mijn verbazing: hij declameerde uit zijn hoofd twee lange passages uit de vierendertigste en vijfendertigste canto van de gezegende dichter ["Orlando Furioso" van Ariosto], waarin hij Astolpho's gesprek met de apostel Johannes beschrijft. Hij sloeg geen regel over, en sprak elk woord precies zo uit als de prosodie vereiste. Hij toonde mij de schoonheid ervan met bespiegelingen waartoe alleen een werkelijk groot man in staat is. Van de voortreffelijkste Italiaanse commentatoren zou men niets beters hebben verwacht. Ik luisterde ademloos toe, zonder eenmaal met mijn ogen te knipperen, vergeefs hopende hem op een fout te betrappen. Ik draaide mij om naar het gezelschap en zei dat ik volkomen overdonderd was en heel Italië op de hoogte zou stellen van mijn gerechtvaardigde verwondering.

- "Clemens van Alexandrië," zo zei hij, "een geleerde en filosoof, zegt dat de ogenschijnlijk zo diep in een vrouw gewortelde kuisheid zich in feite tot hun hemd beperkte, aangezien men er geen spoor meer van bemerkte als men erin slaagde hen dit te laten uittrekken."

- De syndic begon met uit zijn zak een pakje fijne Engelse overjassen te halen, en roemde dit bewonderenswaardige voorbehoedsmiddel tegen een ongeluk dat reden zou kunnen geven tot gruwelijke wroeging. Zij kenden het, leken ermee ingenomen en lachten om de vorm die het opgeblazen werktuig voor hun ogen aannam. Ik zei hun toen dat hun eer mij beslist dierbaarder was dan hun schoonheid, maar dat ik er nooit toe zou kunnen besluiten mijn geluk bij hen te vinden door mijzelf in een stuk dode huid te hullen.

- Alleen die overweging had mij al het zwijgen dienen op te leggen, maar iemand die boos is, denkt altijd dat hij gelijk heeft.

Lees verder in mijn bespreking van deel 7 van de memoires: "Rust nog duur".

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten