Frank van Rijn: De twee scherven: Een ontdekkingsreis door China (Nederland, 1998): 246 blz: Uitgeverij Elmar
"De
twee scherven" is het verslag van een fietstocht van drie maanden die
wereldfietser Frank van Rijn heeft gemaakt in de zomer van 1996 dwars
door het noorden van China, vanaf Beijing tot aan de grens met Pakistan.
Hij fietste daarna verder door Pakistan, het noorden van India en Nepal
naar Kathmandu, maar voor zover ik weet heeft hij het tweede gedeelte
van die reis nooit in boekvorm beschreven.
Zoals
bij vrijwel alle fietstochten die Frank van Rijn maakte, was het ook nu
weer een tocht door een zeer zonnig en zeer warm gebied, hoewel hij op
bergpassen af en toe kou moest lijden.
Als
altijd bij Frank van Rijn is "Twee scherven" een prettig leesbaar,
onderhoudend en humoristisch boek. Wel vind ik dat hij hier te vaak
onnodig lollig doet, reden waarom ik dit boek iets lager aansla dan zijn
voorgaande boek "De rode kangoeroe". Prima als tussendoortje!
- In Nederland heb ik een Zwitserse kaart van China (Kümmerly + Frey) met een schaal van 1:5.000.000 gekocht, aardig om thuis een globale reisplanning mee te maken als je niet op duizend kilometer meer of minder kijkt, om onderweg op te zien hoe je vordert door dat grote land, om de Chinezen in de dorpjes te tonen hoe hun land er ongeveer uitziet en om na afloop de gevolgde route in te tekenen. Als je daar echter op moet gaan rijden ben je veroordeeld tot grote asfaltaders en dat is in de meeste landen en stellig ook in China, een onplezierige zaak, tenzij je er behagen in schept uitgerookt te worden en voortdurend blootgesteld te zijn aan herrie. Voor mij ligt de attractie van een reis in het rijden over kleine weggetjes langs eenvoudige dorpjes en door mooie natuur.
- Steeds meer Chinezen komen het vertrek binnen. Als er vrijwel geen mens meer bij kan lijkt mij de tijd gekomen om mijn speciale spaghettishow op te gaan voeren, waar ik al eerder grote successen mee heb geboekt. Het gesukkel met de twee stokjes heeft nu lang genoeg geduurd. Ik steek ze parallel aan elkaar verticaal in de spaghetti en draai ze vervolgens driemaal om elkaar heen, waarna er een flinke klont aan blijft hangen, die ik vervolgens, zonder problemen in mijn mond steek.
-
De kamer is een niet al te schoon en niet al te plezierig geurend kot.
De vier bedden die er in staan en nog slechts een smal gangetje er
tussen open laten, lijken uit de Ming-tijd te stammen en zijn lustoorden
voor vlooien, luizen en al het andere kruipende en springende
ongedierte dat China rijk is. Van de vier ruiten zijn er twee gebroken
en voorts ontbreken de gordijnen. De optimist over wie ik het al eerder
had zou blij zijn te kunnen constateren dat de twee niet gebroken ruiten
zo vuil zijn dat daar geen gordijnen voor nodig zijn, terwijl de twee
gebroken ruiten voor de zo nodige ventilatie zorgen.
- Het verschil met steden in India, de grote volkrijke buur, is enorm. Hier in China heerst geen absolute chaos, krioelt het niet van de mensen om je heen en ontbreken de in India gebruikelijke koeien op straat, de opstoppingen en de beelden van schrijnende armoede, maar sfeer en esprit proef ik voor geen cent. In India zijn die sfeer en esprit altijd merkbaar, is op elke vierkante meter en op elk uur van de dag iets interessants, bijzonders of bizars te zien en word je nooit met rust gelaten, maar in een Chinese stad kun je je ongestoord en naar hartelust lopen te vervelen.
- Hij vertelt me echter dat er op zijn school nog twee andere leraren Engels zijn die helemaal geen Engels spreken: "Not a word".
"Hoe kun je nu leraar Engels zijn zonder een woord Engels te spreken?" vraag ik verbaasd. Hij antwoordt dat vrijwel alleen les gegeven wordt in lezen en schrijven, aangezien er in China geen gelegenheid is het gesproken Engels te practiseren. "Je hoort hier nooit Engels en daarom weten de meeste leraren ook nauwelijks hoe het klinkt. Iedereen spreekt hier Chinees".
- Terug in mijn hotel, aan de overkant van de drukke boulevard, ontmoet ik Jonathan, een Brit van rond de vijfentwintig, die op een middelbare school, ergens in het drukke zuiden van China, Engelse les geeft. Hij spreekt een beetje Chinees, maar voor het lesgeven is dat volgens hem niet nodig.
"Je
begint gewoon Engels te praten," zegt hij. "This is a pen" en dan houd
je een pen omhoog, "This is chalk" en dan houd je een krijtje omhoog.
"This is our school" en dan houd je de school omhoog. De rest komt
vanzelf.
-
Op mijn Kümmerly + Frey-kaart van China, schaal 1:5 miljoen, staat Obo
vermeld, en je zou dus kunnen verwachten dat het een "stadje" ter
grootte van Utrecht of op z'n minst Groningen is, maar het blijkt een
dorpje van zo te zien niet meer dan 500 inwoners te zijn: wat huizen,
winkeltjes en theehuisjes ter weerszijden van de steenslagweg die er
doorvoert en verder een politiepost, een zijstraat naar links en een
pension aan de rechterkant, met kamers die rond een binnenplaats gelegen
zijn.
- ... maar de weg die, net als die van gisteren, uit steenslag bestaat, is weer lang en klimt weer hoog. Vandaag schep ik echter behagen in dat lange en hoge, want als het weer mooi is zoals nu en de natuur prachtig, zoals hier, is geen weg mij te lang en geen pas mij te hoog.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten