maandag 24 maart 2025

Maarten 't Hart: Het roer kan nog zesmaal om

Maarten 't Hart: Het roer kan nog zesmaal om (Nederland, 1984): 246 blz: Uitgeverij de Arbeiderspers, serie Privé-domein Nr. 100
 

 
Van de Nederlandstalige boeken die ik destijds op de middelbare school heb gelezen voor mijn lijst, was "De droomkoningin" van Maarten 't Hart veruit mijn favoriete boek. Ik heb altijd een zwak gehad voor Maarten 't Hart en in de loop der jaren aardig wat boeken van hem gelezen. In mijn herinnering vind ik de drie deeltjes die in de serie Privé-domein zijn verschenen, zijn beste boeken.
 
Iedereen die vaker wat van Maarten 't Hart heeft gelezen, weet dat in al zijn boeken dezelfde onderwerpen terugkeren: zijn worsteling met het geloof, zijn liefde voor de klassieke muziek (Bach, Mozart), het piano- en orgel spelen, de natuur, zijn enorme leeswoede en nog wat andere onderwerpen. 
 
Ik heb "Het roer kan nog zesmaal om" in drie dagen tijd geboeid uitgelezen. Ik merk wel dat ik de stukken over zijn opvoeding, school- en studentenjaren en de natuur beduidend interessanter vind, dan alles wat hij over het geloof heeft te melden. Ik vind van de Nederlandstalige schrijvers die in de serie Privé-domein hebben gepubliceerd, de drie boeken van Maarten 't Hart duidelijk tot de beter geslaagde teksten behoren.
 
Citaten:
- "Als het maar beroerd eindigt," zegt Hotz vaak schamper tegen me, "dan, ja dan is het litertatuur."
 
- Op de derde september fietste ik om half zeven uit Maassluis weg, en drie uur later hoorde ik in de Pieterskerk professor Kuenen vertellen dat men als men studeerde best kon slabakken, als men dat wat men er naast deed, roeien bijvoorbeeld, dan maar goed deed.
 
- Daar Eysberg, juist in die lange, haast niet door te komen zomervakanties, enkele weken verplicht zijn zaak moest sluiten, zocht ik, mede op aanraden van mijn moeder ook naar ander werk. "Je kunt toch niet áltijd lezen," zei ze vaak, en ik was dat wel met haar eens. Als ik op een gewone vakantiedag in de zomer om zes uur opstond, had ik om negen uur mijn eerste boek al uit, en om twaalf uur mijn tweede, en om drie uur mijn derde, en nog voor het avondeten mijn vierde. Voor na de maaltijd had ik dan een flink dik boek bewaard, van rond vierhonderd bladzijden, en daar kon ik dan net tot bedtijd mee toe. Maar ja, vijf boeken op één dag, daar wordt men op den duur toch enigszins suffig van.
 
- Zo vaak al heb ik mij vertwijfeld afgevraagd, als ik, min of meer daartoe geprest, in een ruimte verkeerde waar mensen in vergadering of op een receptie of op een feestje bijeen zijn, "is dit nu echt het hoogst bereikbare?" Als dat niet zo is, waarom lijkt het dan alsof iedereen erop uit is om altijd maar weer bijeenkomsten te organiseren dan wel te bezoeken. En waarom moet iemand die het liefst alleen is steeds weer à contre-coeur deelnemen aan sociaal verkeer? Ik pres al die sociale mensen toch ook niet tot alleen zijn?
 
- ... welk werk men ook doet, men kan het doorgaans gedurende langere tijd achter elkaar doen. Men kan tomaten plukken van 's morgens half vijf tot half negen en ondertussen ook nog aan het bestaan van God twijfelen. Maar schrijven kan men soms, en meestal niet. Daarom doet men allerlei ander werk tussendoor; men hakt hout, men plant grote bonen, men schoffelt in z'n moestuin, en af en toe keert men terug naar de schrijftafel om te merken dat het (nog) niet gaat. Als mijn vader een graf groef, begon hij om negen uur en was hij om twaalf uur klaar. Maar als ik een verhaal schrijf, doe ik in feite tien, twintig andere dingen: ik haal de post, verzet de geit, laad de hond uit, snijd alvast de rode kool fijn voor het avondeten, en zet af en toe, so ganz nebenbei, ook wel eens een zinnetje op papier. Vroeger had ik wel het vermogen om langere tijd achtereen te schrijven, maar zelfs toen schreef ik maar heel soms. Een schrijver is iemand die zelden schrijft. Van geen ander beroep kan, denk ik, gezegd worden dat men er zo weinig tijd van de dag mee bezig is.
 
Maarten 't Hart dacht dat hij om schrijver te kunnen worden journalist moest worden:
- Pas toen ik in aanraking kwam met datgene wat zo gewichtig "letterkunde" heet, kwam ik gaandeweg tot de ontdekking dat schrijvers slechts zelden als journalist begonnen waren. Bordewijk, mijn eerste grote literaire liefde, was advocaat, Theo Thijssen onderwijzer en Harry Mulisch, voor zover ik kon nagaan, helemaal niets. W.F. Hermans was geoloog en Jan Wolkers beeldhouwer. Het bleek volstrekt onnodig om journalist te worden.
 
- Schrijven moet iets houden van het achteloos maken van notities op de achterkant van een gebruikte envelop of van een pretentieloze, hoogstens wat lang uitgevallen brief aan een vriend of vriendin.
 
- Mijn hele leven lang heb ik eronder geleden dat het mensenbestaan is ingericht voor de langslaper. Ik ben een uitgesproken morgenmens, zit het liefst al om vijf uur, monter, vol grappen, tot alle conversatie bereid, aan de ontbijttafel. Mijn hele leven lang heeft men mij verweten dat ik a-sociaal ben, maar dat ben ik niet, alleen valt de periode van de dag waarin ik behoefte heb aan gezelschap, conversatie en sociaal verkeer niet 's avonds, maar 's morgens vroeg.
 
Over zijn diensttijd:
- Geen moment hoefde ik mij het hoofd te breken over enig probleem. Er werd voor ons gedacht, wij waren van elke verantwoordelijkheid ontheven, altijd stond, op vaste tijdstippen, een uitgebreide maaltijd voor ons klaar, en nooit hoefde ik ergens iets voor te betalen, alleen de kapper kostte twintig cent.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

2 opmerkingen:

  1. Ik heb ook een absoluut zwak voor 't Hart en heb het grootste deel van zijn werk gelezen, al voordat ik blogde. Deze ook uiteraard en alle fragmenten zijn weer prachtig om te lezen :)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Hoi Koen, ik vind Maarten 't Hart beslist geen literaire hoogvlieger en zijn onderwerpen zijn altijd dezelfde, toch lees ik hem vrijwel altijd met plezier. En ik vind hem vooral ook een sympathieke man, dat helpt ook. Hij heeft herhaaldelijk verkondigd dat het niets uitmaakt als na zijn dood zijn werken volledig vergeten zouden zijn, maar dat hij het verschrikkelijk zou vinden als er ooit in de verre toekomst niet meer naar de muziek van Bach geluisterd kon worden. Groetjes, Erik

      Verwijderen