Lev Tolstoj: Jongensjaren (Rusland, 1854): 109 blz: Vertaald door Arthur Langeveld (2008): Mijn exemplaar: Jeugdherinneringen (2019): 456 blz: blz 141-249: Uitgeverij Prometheus
"Jongensjaren"
is het tweede deel van de romantrilogie "Jeugdherinneringen" van Lev
Tolstoj en het vervolg op "Kinderjaren". "Jongensjaren" verrast
misschien iets minder dan "Kinderjaren", maar iedereen die van dit
eerste deel heeft genoten zal ook "Jongensjaren" met plezier lezen.
- Ik herinner me dat ze op een keer, toen ze ruzie met Ljoebotsjka had omdat die haar dom kind had genoemd, antwoordde: niet iedereen kan even slim zijn, domme mensen moeten er ook zijn.
-
Ik was van nature preuts, maar mijn preutsheid werd nog versterkt door
het besef van mijn lelijkheid. Ik weet zeker dat niets zo'n
allesoverheersende invloed op de aard van een mens heeft als zijn
uiterlijk, en niet zozeer het uiterlijk op zichzelf, als wel het besef
van de aantrekkelijkheid of onaantrekkelijkheid ervan.
-
Ik verkeerde echter in de geprikkelde toestand van iemand die meer
heeft verloren dan hij op zak heeft, die de som van zijn verlies niet op
durft te maken en voortgaat als een krankzinnige kaarten in te zetten
zonder enige hoop iets te winnen, maar enkel om zichzelf geen tijd te
geven tot bezinning te komen.
- Er zijn ogenblikken waarop de toekomst je in zulk een somber licht verschijnt dat je bang bent er ook maar een gedachte aan te wijden, je een einde maakt aan elke geestelijke activiteit in jezelf en je jezelf ervan probeert te overtuigen dat er geen toekomst zal zijn en er ook geen verleden is geweest. Op zulke ogenblikken, wanneer het denken ophoudt een oordeel te geven over willekeurig welk wilsbesluit en vleselijke instincten de enige drijfveren van het leven zijn, begrijp ik dat een kind dat hiervoor gevoelig is, uit gebrek aan ervaring, zonder de minste aarzeling en angst, met de glimlach der nieuwsgierigheid het vuur kan aansteken en aanwakkeren onder het eigen huis, waarin zijn broers, vader en moeder slapen, die hij oprecht liefheeft. Onder invloed van een dergelijke tijdelijke uitschakeling van het denkvermogen - bijna verstrooidheid - kan een dorpsjongen van een jaar of zeventien, wanneer hij het scherp van de zojuist geslepen bijl bekijkt naast de bank waarop zijn oude vader op zijn buik ligt te slapen, opeens een zwaai met die bijl geven en met doffe nieuwsgierigheid toekijken hoe het bloed uit de doorgehakte nek op de grond siepelt ...
- Katjenka is zestien; ze is groot geworden; haar hoekige vormen, haar verlegen en onhandige bewegingen, eigen aan een meisje in de overgangsleeftijd, hebben plaatsgemaakt voor de harmonieuze frisheid en gratie van een net ontloken bloem; maar ze is niet veranderd. Dezelfde lichtblauwe ogen en glimlachende blik, datzelfde rechte neusje met de stevige neusvleugels dat bijna één lijn vormt met het voorhoofd, en datzelfde mondje met de lichte glimlach, dezelfde piepkleine kuiltjes in haar roze, doorschijnende wangetjes, dezelfde blanke armer ... en nog steeds past om de een of andere reden de benaming rein meisje haar als geen ander. Nieuw is alleen haar dikke, donkerblonde vlecht die ze net als de groten draagt, en haar jeugdige boezem, die haar zichtbaar zowel met trots als met gêne vervult.
- Vanzelfsprekend maakte ik mij onder invloed van Nechljoedov onwillekeurig ook zijn gedachtegoed eigen, waarvan de essentie bestond uit een enthousiast geloof in het ideaal van de deugd en de overtuiging dat het de bestemming van de mens was om zich onophoudelijk te vervolmaken. Destijds leek het verbeteren van de gehele mensheid, het vernietigen van alle ondeugden en al het ongeluk van de menselijke soort iets dat volkomen uitvoerbaar was, en het verbeteren van jezelf, je alle deugden eigen maken en gelukkig te zijn, dat leek al heel eenvoudig en gemakkelijk ...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten