zaterdag 17 juni 2023

Lev Tolstoj: Kinderjaren

Lev Tolstoj: Kinderjaren (Rusland, 1852): 140 blz: Vertaald door Arthur Langeveld (2006): Mijn exemplaar: Jeugdherinneringen (2019): 456 blz: blz 1-140: Uitgeverij Prometheus
 

 
Tolstoj vond dat alles wat hij schreef te begrijpen moest zijn voor een dertienjarige. 
 
Mijn exemplaar van "Kinderjaren" komt in een verzameluitgave van uitgeverij Prometheus "Jeugdherinneringen" samen met de twee vervolgen "Jongensjaren" en "Studentenjaren". Alle drie de romans zijn prachtig vertaald door Arthur Langeveld die ook een informatief nawoord schreef.

"Kinderjaren" is het eerste boek dat Tolstoj schreef en ter publicatie aanbood. Hij deed dat aan de redacteur van het meest invloedrijke tijdschrift in Moskou op 24-jarige leeftijd in 1852. De redacteur was enthousiast, evenals enkele anderen die hij het manuscript liet lezen, waaronder Ivan Toergenjev. De redacteur stelde wel een aantal wijzigingen voor, waaronder om de titel te veranderen in "De geschiedenis van mijn kinderjaren". Tolstoj ging hiermee niet akkoord, het ging hem niet specifiek over zijn eigen kinderjaren maar over de kinderjaren in het algemeen. Na publicatie werd "Kinderjaren" overal positief ontvangen en sprak men van een nieuw talent van wie nog wel wat te verwachten viel.

Wat maakt "Kinderjaren" en veel ander werk van Tolstoj zo bijzonder? Hij beschrijft een leven met veel psychologisch inzicht en hij schrijft over ervaringen die iedereen in meer of mindere mate deelt. Daarbij schrijft hij in een zeer toegankelijke, voor iedereen begrijpelijke, stijl. Soms wordt door vrienden aan mij gevraagd of al die Russische schrijvers die ik zo graag lees, niet moeilijk om te lezen zijn. Dostojewski vraagt heel wat meer doorzettingsvermogen, maar de werken van Tolstoj zijn door vrijwel iedereen gemakkelijk te lezen. Ik vind "Kinderjaren" een uitstekend debuut en tevens een zeer geschikt boek om mee te beginnen als je wat van Tolstoj wilt lezen en niet meteen met "Oorlog en vrede" of "Anna Karenina" wilt beginnen.
 
Citaten:
- Wanneer je probeert in je verbeelding de gelaatstrekken van een geliefd wezen op te roepen, dan komen er zoveel herinneringen aan vroeger boven dat je die trekken door al die herinneringen, als door een waas van tranen, maar heel vaag ziet. Dat zijn de tranen van de verbeelding.Wanneer ik me mama voor de geest probeer te halen zoals ze in die tijd was, dan zie ik wel haar bruine ogen die onveranderlijk goedheid en liefde uitstralen, het moedervlekje in haar hals, iets onder de plek waar kleine haartjes krulden, het witte geborduurde kraagje, haar tedere magere hand die mij zo dikwijls liefkoosde en die ik zo dikwijls kuste; maar het totaalbeeld ontsnapt me.
 
- Wanneer mama glimlachte dan werd haar gezicht, dat toch al mooi was, nog oneindig veel mooier en dan leek alles om haar heen op te vrolijken. Als ik op moeilijke momenten van mijn leven al was het maar een glimpje van deze glimlach van deze glimlach kon zien, dan zou ik niet weten wat verdriet was. Ik geloof dat alleen in de glimlach besloten ligt wat men de schoonheid van het gelaat noemt: als de glimlach charme toevoegt aan het gezicht, dan is dat gezicht mooi; als de glimlach het gezicht niet verandert, dan is het gewoon; als hij het bederft, dan is het lelijk.
 
- Twee hazewindhonden sprongen gracieus achter de paarden aan over het hoge maaiveld hun poten hoog optillend en hun staart in een gespannen boog als een sikkel; Milka rende voorop, de kop gebogen, in afwachting van iets lekkers. Het gepraat van het volk, het hoefgetrappel van de paarden, het geratel van de wagens, het vrolijke gefluit van de kwartels, het gezoem van de insecten, die in onbeweeglijke wolken in de lucht hingen, de geur van alsem, stro en paardenzweet, de duizenden verschillende kleuren en schaduwen die de brandende zon over het lichtgele veld uitgoot, de blauwe verte van het bos en de paarswitte wolken, de witte spinnenwebben die in de lucht zweefden of op het stoppelveld lagen, dat alles zag, hoorde en voelde ik.
 
- Ik weet zelf ook wel dat je met een stok geen vogel kunt doodschieten, dat je er helemaal niet mee kunt schieten. Dat is een spelletje. Als je zo redeneert kun je ook niet op stoelen paardje rijden; maar ik denk dat Volodja zich nog heel goed herinnert hoe we op winteravonden doeken over een fauteuil legden en er een rijtuig van maakten, eentje was de koetsier, de ander de lakei, de meisjes in het midden, drie stoelen waren het driespan paarden - en wij gingen op weg. En wat een avonturen beleefden we dan onderweg! En wat was het leuk en wat vlogen de winteravonden om! Maar als je logisch redeneert dan kun je nooit echt spelen. En als je niet kunt spelen, wat blijft er dan nog over?

- Ik herinner me nog goed dat we het op een keer aan het eten - ik was toen zes jaar oud - over mijn uiterlijk hadden, en dat maman haar best deed om iets moois aan mijn gezicht te vinden: ze zei dat ik een intelligente blik had, een lieve glimlach, maar ten slotte zwichtte ze voor de argumenten van mijn vader en voor de naakte waarheid, en moest ze erkennen dat ik lelijk was: later toen ik haar voor het eten bedankte, streek ze over mijn wang en zei:
 "Weet je, Nikolenka, vanwege je gezicht zal nooit iemand van je houden, daarom moet je je best doen om een slim en goed jongetje te zijn."
 Die woorden overtuigden me er niet alleen van dat ik geen schoonheid was, maar tevens dat ik tot elke prijs een goede en slimme jongen moest zijn.

- Ik weet niet waarom, maar toen ik kind was wilde ik met alle geweld op een volwassene lijken, en sinds ik geen kind meer ben wilde ik dikwijls juist een kind zijn.

- Nog voor we de bittere ervaringen hadden gehad die volwassenen nopen tot voorzichtigheid en afstandelijkheid in de omgang met anderen, ontzegden wij onszelf het zuivere genoegen van tedere kinderlijke aanhankelijkheid alleen maar uit het vreemde verlangen de groten na te apen.
 
- Die nacht sliep ik vast en rustig, zoals altijd na een hevig verdriet, en toen ik wakker werd waren mijn ogen droog en mijn zenuwen tot rust gekomen. Om tien uur werden we geroepen voor de rouwdienst die vlak voor de teraardebestelling werd gehouden. De kamer stond vol met bedienden en boeren die, allemaal met tranen in hun ogen, afscheid van hun mevrouw kwamen nemen. Tijdens de dienst huilde ik fatsoenshalve, sloeg ik kruisen en boog me ter aarde maar in mijn hart bad ik niet en ik was tamelijk nuchter; ik maakte me meer zorgen over het nieuwe jasje dat ik aan had gekregen en dat erg krap onder de oksels zat, ik bedacht dat ik mijn broek bij het knielen niet vuil moest maken en ik observeerde stiekem de aanwezigen.
 
         
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten