Lev Tolstoj: Studentenjaren (Rusland, 1857): 198 blz: Vertaald door Arthur Langeveld (2011): Mijn exemplaar: Jeugdherinneringen (2019): 456 blz: blz 249-456: Uitgeverij Prometheus
"Studentenjaren" is het laatste, langste en volgens de meeste mensen (waaronder ik) minst interessante deel van de trilogie "Jeugdherinneringen". Maar nog altijd zeker de moeite om te lezen.
Citaten:
- Ik heb al gezegd dat mijn vriendschap met Dmitri mij een nieuwe visie op het leven, op de zin van het leven en alles wat daaruit voortvloeit, openbaarde. De kern van deze visie werd gevormd door de overtuiging dat de bestemming van de mens ligt in het streven naar zedelijke vervolmaking en dat die vervolmaking gemakkelijk, mogelijk en voor altijd is.
-
Gemiddeld had ik toch nog een ruime vier, maar dat interesseerde me
hoegenaamd niets; ik had voor mezelf besloten en mezelf onomstotelijk
bewezen dat het geen enkele zin had en zelfs mauvais genre was om
eerste te willen zijn, je moest gewoon niet al te slecht en niet al te
god zijn, zoals Volodja. Daar wilde ik me voortaan op de universiteit aan
houden, ook al zou ik in dit geval voor de eerste maal van mening
verschillen met mijn vriend.
Het
enige waar ik aan dacht was het uniform, de driekanten steek, mijn eigen
droschke, mijn eigen kamer en in de eerste plaats mijn eigen vrijheid.
- Ik stond op en maakte een buiging voor hem, maar Ivin, die drie sterren op zijn groene frak droeg, beantwoordde niet alleen mijn buiging niet, maar keek dwars door me heen, zodat ik opeens gevoelde dat ik geen mens was, maar een voorwerp dat geen aandacht waard was, een stoel of een venster, of indien een mens, dan eentje die in niets verschilde van een stoel of een venster.
-
Mijn comme il faut bestond in de allereerste plaats uit een uitstekende
beheersing van het Frans en vooral van de uitspraak. Iemand die een
slechte uitspraak van het Frans had wekte onmiddellijk een gevoel van
haat bij mij op. Waarom wil je net als wij spreken, wanneer je dat niet
kunt? was de vraag die ik hem in gedachten met bijtende spot stelde. De
tweede voorwaarde voor comme il faut waren de nagels, die moesten lang,
verzorgd en schoon zijn; de derde was de kunst een buiging te maken, te
dansen en te converseren; de vierde, en niet de minste, was
onverschilligheid voor alles en iedereen en een permanente uitdrukking
van een bepaalde, elegante, neerbuigende verveling.
- Dan kreeg alles voor mij een andere betekenis: de oude berken die met hun krullerige takken aan één kant schitterden in het maanlicht en aan de andere kant de struiken en de weg in hun sombere, zwarte schaduw hulden; de kalme, overvloedige schittering van de vijver, gelijkmatig aanzwellend als een geluid; de schittering van de maan in de dauwdruppels op de bloemen voor de galerij, die eveneens over de grijze bloemenrand hun gracieuze schaduwen lieten vallen, het geluid van een kwartel aan de overkant van de vijver, een stem op de grote weg, het zachte, nauwelijks hoorbare geruis van twee berken die tegen elkaar aan schuurden, het gezoem van een mug vlak bij mijn oor onder de deken, een appel die achter een tak was blijven steken en nu op de droge bladeren neerplofte, springende kikkers die soms tot aan de trap van het terras kwamen en waarvan de gelige ruggetjes geheimzinnig in het maanlicht glinsterden, dat alle kreeg voor mij een vreemde betekenis, de betekenis van te grote schoonheid en van een onvoltooid geluk.
Over de jonge stiefmoeder van de hoofdpersoon:
-
Nog vreemder was het voor ons dat er in haar twee geheel verschillende
vrouwen huisden, mét gasten en zónder: de ene, met gasten, was een
jonge, gezonde en koele schoonheid, smaakvol gekleed, niet dom, niet
intelligent maar wel vrolijk; de andere, zonder gasten, was een niet
meer zo jonge, dodelijk vermoeide, zwaarmoedige vrouw, slonzig gekleed
en verveeld, hoewel liefhebbend.
- Ik kwam alleen op college uit gewoonte en omdat papa me het huis uitjoeg. Bovendien had ik veel kennissen, en vond ik het meestal leuk op de universiteit. Ik hield van het rumoer, gepraat, gelach in de collegezalen; ik hield ervan om tijdens de colleges op de achterste bank, bij het gelijkmatige stemgeluid van de professor, wat te mijmeren en naar mijn kameraden te kijken; ik hield ervan om soms snel met iemand naar Materne te gaan voor een glaasje wodka en een hapje en, in de wetenschap dat je daarvoor een berisping kon krijgen, luid met de deur piepend de collegezaal binnen te komen als de professor al was begonnen; ik hield ervan om deel te nemen aan kwajongensstreken wanneer verschillende jaren lachend in de gang samendromden. Dat was allemaal heel leuk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten